Crompvoets + Raafs Advocaten

Tag Archive: Raad van State

  1. Een verduidelijking van de Bahaddar-beoordeling

    Reacties uitgeschakeld voor Een verduidelijking van de Bahaddar-beoordeling

    Een verduidelijking van de Bahaddar-beoordeling

    Uit artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens volgt dat een vreemdeling niet mag worden uitgezet naar een land waar hij het risico loopt op vervolging of een onmenselijke behandeling. In sommige gevallen is het daarom noodzakelijk dat de bestuursrechter nationale procedureregels, zoals termijnen, buiten beschouwing laat als deze in de weg staan aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. Deze regel komt voort uit de Bahaddar-zaak, een zaak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uit 1998. In een uitspraak van de Afdeling van afgelopen week (ECLI:NL:RVS:2022:1664) wordt de ‘Bahaddar-beoordeling’ toegepast en verduidelijkt.

    Uitspraak van de Afdeling

    De recente uitspraak gaat over een vreemdeling, waarvan de asielaanvraag was afgewezen. In zijn beroepsgronden voert hij aan dat hij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Irak vanwege zijn afvalligheid en atheïsme. Hij had deze beroepsgronden echter te laat ingediend. In principe wordt een beroep dan niet-ontvankelijk verklaard.

    De Afdeling begint met het uitgangspunt dat de nationale procedureregels moeten worden gevolgd, ook bij een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechter moet echter een procedureregel buiten toepassing laten als uit de feiten onmiskenbaar blijkt dat een vreemdeling bij uitzetting risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Afdeling voeg hieraan ten slotte dat de rechter ook de feiten moet betrekken in de Bahaddar-beoordeling, die de vreemdeling niet heeft aangedragen, maar waarvan het overduidelijk is welke feiten dit hadden moeten zijn.

    De Afdeling verduidelijkt tenslotte waar de rechter op moet letten bij de Bahaddar-beoordeling. De rechter moet de algemeen bekende informatie over het land van herkomst van de vreemdeling betrekken en alles wat de vreemdeling heeft aangevoerd met betrekking tot de vraag of er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in het land van herkomst. De rechter zal een procedureregel buiten toepassing  laten als onmiskenbaar blijkt dat een vreemdeling bij uitzetting risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

    Relevantie

    Met dit oordeel geeft de Afdeling een verduidelijking aan de Bahaddar-beoordeling en laat zien dat de zaak nog steeds relevant is. Ook voor onze praktijk is dit oordeel relevant. In het geval van cliënten die een beroep doen op artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, kan het dus zo zijn dat nationale procedureregels, zoals termijnen en eisen aan de inhoud van een beroepschrift, buiten toepassing moeten worden gelaten. Het komt er kortom op neer dat procedureregels er nooit toe mogen leiden dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verblijf in Nederland en het risico loopt te worden uitgezet naar zijn land van herkomst, terwijl duidelijk is dat hij aldaar een ernstig risico loopt om te worden vervolgd of onmenselijk te worden behandeld.

     

     

     

  2. Atheïsme is ook een geloofsovertuiging

    Reacties uitgeschakeld voor Atheïsme is ook een geloofsovertuiging

    Atheïsme is ook een geloofsovertuiging

    De uitspraken van de Raad van State: ECLI:NL:RVS:2022:93 en ECLI:NL:RVS:2022:94

    Afgelopen maand heeft de Raad van State beslist dat zowel atheïsme als afvalligheid m

    oeten worden aangemerkt als een geloofsovertuiging (ECLI:NL:RVS:2022:93 en  ECLI:NL:RVS:2022:94). Daarmee staat nu vast dat de atheïstische of afvallige vreemdeling kan worden beschermd onder het Vluchtelingenverdrag.

    Een vreemdeling heeft ingevolge artikel 1(A)(2) van het Vluchtelingenverdrag recht op bescherming als hij vanwege zijn geloofsovertuiging gegronde vrees heeft voor vervolging in zijn land van herkomst. Een voorbeeld hierbij is een christelijke vreemdeling die vanwege dit geloof zeer waarschijnlijk vervolgd zal worden, omdat de overheid in het land van herkomst deze religie niet accepteert. In de bovengenoemde twee uitspraken van de Afdeling is duidelijk geworden dat ook atheïsme en afvalligheid moeten worden aangemerkt als geloofsovertuigingen en daarom recht hebben op bescherming onder het Vluchtelingenverdrag. Deze uitspraak wijkt af van de Werkinstructie 2018/19 en de Werkinstructie 2018/19, waarin nog is vastgelegd dat atheïsme en afvalligheid geen geloofsovertuigingen zijn.

    Verder oordeelt de Afdeling in de uitspraken dat de staatssecretaris niet beschikt over een duidelijke werkwijze voor het onderzoeken van de geloofwaardigheid van de afvalligheid en het atheïsme. Volgens de Afdeling moet de werkwijze aangescherpt worden. Zo moet er een verschillend beoordelingskader worden gehanteerd voor atheïsme enerzijds en afvalligheid anderzijds. Daarnaast moet de staatsecretaris, op het moment dat de geloofwaardigheid is komen vast te staan, verder onderzoek doen naar het risico wat de vreemdeling loopt bij terugkeer naar het land van herkomst.

    In de praktijk zullen deze uitspraken betekenen dat de staatssecretaris een verbeterde en aangescherpte werkwijze zal hanteren om de geloofwaardigheid van atheïsme en afvalligheid te beoordelen. Het is hierbij aan de staatssecretaris om deze werkwijze vast te stellen. Heeft u een zaak of vragen omtrent rondom asiel- en migratierecht? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor via 043-3510577 of info@cr-advocaten.nl.