Crompvoets + Raafs Advocaten

Tag Archive: afdeling

  1. Zicht op uitzetting naar Marokko

    Reacties uitgeschakeld voor Zicht op uitzetting naar Marokko

    Zicht op uitzetting naar Marokko

    In een recente uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2022:10183) heeft de rechtbank Den-Haag besloten dat er weer zicht is op uitzetting naar Marokko. Dit is een omslag ten opzichte van drie uitspraken van de Raad van State uit 2021, waarin de Afdeling concludeerde dat er voorlopig geen zicht was op uitzetting van vreemdelingen naar Marokko.

    Redelijke termijn

    Volgens de Vreemdelingenwet is een inbewaringstelling van vreemdelingen slechts mogelijk als er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. De Afdeling concludeerde in 2021 dat er geen sprake was van een dergelijke redelijke termijn wat betreft uitzetting naar Marokko. De oorzaak hiervan lag bij de uitgifte van de zogenoemde laissez-passer, een tijdelijk reisdocument dat nodig is om Marokko in te reizen als een vreemdeling geen geldig Marokkaans paspoort meer heeft. In de periode van 2020 tot en met 2021 had de Marokkaanse overheid geen enkele laissez-passer verstrekt. De afdeling oordeelde dat het zeer onduidelijk was of er in de nabije toekomst wel laissez-passer documenten zouden worden afgegeven. Marokkaanse vreemdelingen, die afhankelijk zijn van de laissez-passer, konden kortom niet in bewaring worden gesteld in afwachting van hun uitzetting.

    Veranderde stand van zaken

    De recente uitspraak van de Rechtbank betrof wederom om een vreemdeling die in beroep ging tegen zijn inbewaringstelling. Volgens hem was er geen sprake van zicht op een uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko. De rechter concludeert echter dat de praktijk rondom de uitgifte van laissez-passer documenten wezenlijk veranderd is ten opzichte van de stand van zaken in 2021. Zo hebben de Marokkaanse autoriteiten in 2022 11 laissez-passers verstrekt. Volgens de rechtbank geeft dit voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Dat betekent dat Marokkaanse vreemdelingen, die afhankelijk zijn van de laissez-passer, weer in bewaring kunnen worden gesteld in afwachting van hun uitzetting.

     

     

     

  2. Een verduidelijking van de Bahaddar-beoordeling

    Reacties uitgeschakeld voor Een verduidelijking van de Bahaddar-beoordeling

    Een verduidelijking van de Bahaddar-beoordeling

    Uit artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens volgt dat een vreemdeling niet mag worden uitgezet naar een land waar hij het risico loopt op vervolging of een onmenselijke behandeling. In sommige gevallen is het daarom noodzakelijk dat de bestuursrechter nationale procedureregels, zoals termijnen, buiten beschouwing laat als deze in de weg staan aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. Deze regel komt voort uit de Bahaddar-zaak, een zaak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uit 1998. In een uitspraak van de Afdeling van afgelopen week (ECLI:NL:RVS:2022:1664) wordt de ‘Bahaddar-beoordeling’ toegepast en verduidelijkt.

    Uitspraak van de Afdeling

    De recente uitspraak gaat over een vreemdeling, waarvan de asielaanvraag was afgewezen. In zijn beroepsgronden voert hij aan dat hij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Irak vanwege zijn afvalligheid en atheïsme. Hij had deze beroepsgronden echter te laat ingediend. In principe wordt een beroep dan niet-ontvankelijk verklaard.

    De Afdeling begint met het uitgangspunt dat de nationale procedureregels moeten worden gevolgd, ook bij een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechter moet echter een procedureregel buiten toepassing laten als uit de feiten onmiskenbaar blijkt dat een vreemdeling bij uitzetting risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Afdeling voeg hieraan ten slotte dat de rechter ook de feiten moet betrekken in de Bahaddar-beoordeling, die de vreemdeling niet heeft aangedragen, maar waarvan het overduidelijk is welke feiten dit hadden moeten zijn.

    De Afdeling verduidelijkt tenslotte waar de rechter op moet letten bij de Bahaddar-beoordeling. De rechter moet de algemeen bekende informatie over het land van herkomst van de vreemdeling betrekken en alles wat de vreemdeling heeft aangevoerd met betrekking tot de vraag of er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in het land van herkomst. De rechter zal een procedureregel buiten toepassing  laten als onmiskenbaar blijkt dat een vreemdeling bij uitzetting risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

    Relevantie

    Met dit oordeel geeft de Afdeling een verduidelijking aan de Bahaddar-beoordeling en laat zien dat de zaak nog steeds relevant is. Ook voor onze praktijk is dit oordeel relevant. In het geval van cliënten die een beroep doen op artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, kan het dus zo zijn dat nationale procedureregels, zoals termijnen en eisen aan de inhoud van een beroepschrift, buiten toepassing moeten worden gelaten. Het komt er kortom op neer dat procedureregels er nooit toe mogen leiden dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verblijf in Nederland en het risico loopt te worden uitgezet naar zijn land van herkomst, terwijl duidelijk is dat hij aldaar een ernstig risico loopt om te worden vervolgd of onmenselijk te worden behandeld.