Crompvoets + Raafs Advocaten

Tag Archive: advocatuur

  1. Zicht op uitzetting naar Marokko

    Reacties uitgeschakeld voor Zicht op uitzetting naar Marokko

    Zicht op uitzetting naar Marokko

    In een recente uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2022:10183) heeft de rechtbank Den-Haag besloten dat er weer zicht is op uitzetting naar Marokko. Dit is een omslag ten opzichte van drie uitspraken van de Raad van State uit 2021, waarin de Afdeling concludeerde dat er voorlopig geen zicht was op uitzetting van vreemdelingen naar Marokko.

    Redelijke termijn

    Volgens de Vreemdelingenwet is een inbewaringstelling van vreemdelingen slechts mogelijk als er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. De Afdeling concludeerde in 2021 dat er geen sprake was van een dergelijke redelijke termijn wat betreft uitzetting naar Marokko. De oorzaak hiervan lag bij de uitgifte van de zogenoemde laissez-passer, een tijdelijk reisdocument dat nodig is om Marokko in te reizen als een vreemdeling geen geldig Marokkaans paspoort meer heeft. In de periode van 2020 tot en met 2021 had de Marokkaanse overheid geen enkele laissez-passer verstrekt. De afdeling oordeelde dat het zeer onduidelijk was of er in de nabije toekomst wel laissez-passer documenten zouden worden afgegeven. Marokkaanse vreemdelingen, die afhankelijk zijn van de laissez-passer, konden kortom niet in bewaring worden gesteld in afwachting van hun uitzetting.

    Veranderde stand van zaken

    De recente uitspraak van de Rechtbank betrof wederom om een vreemdeling die in beroep ging tegen zijn inbewaringstelling. Volgens hem was er geen sprake van zicht op een uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko. De rechter concludeert echter dat de praktijk rondom de uitgifte van laissez-passer documenten wezenlijk veranderd is ten opzichte van de stand van zaken in 2021. Zo hebben de Marokkaanse autoriteiten in 2022 11 laissez-passers verstrekt. Volgens de rechtbank geeft dit voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Dat betekent dat Marokkaanse vreemdelingen, die afhankelijk zijn van de laissez-passer, weer in bewaring kunnen worden gesteld in afwachting van hun uitzetting.

     

     

     

  2. EK tegen Nederland: Nederland moet de rechtspraktijk aanpassen

    Reacties uitgeschakeld voor EK tegen Nederland: Nederland moet de rechtspraktijk aanpassen

    EK tegen Nederland: Nederland moet de rechtspraktijk aanpassen

    In de zaak E.K. tegen Nederland van 7 september 2022 (ECLI:EU:C:2022:639) oordeelt het Europese Hof van Justitie dat de gangbare Nederlandse rechtspraktijk rondom het toewijzen van de verblijfsvergunning ‘EU-langdurig ingezetene’ moet worden aangepast. Voor de toewijzing van een verblijfsvergunning ‘EU-langdurige ingezetene’ geldt als voorwaarde dat de aanvrager tenminste vijf jaar in Nederland verblijft en op het moment van de aanvraag een niet-tijdelijke verblijfsvergunning bezit. Tot op het heden, merkte de IND de ‘Chavez-verblijfsvergunning’ aan als een tijdelijke vergunning. Daarom kwamen houders van dit type verblijfsvergunning in principe niet in aanmerking voor de EU-verblijfsvergunning.

    De Chavez-verblijfsvergunning

    In E.K tegen Nederland ging het ook om een aanvraagster van een verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetene. De aanvraagster had sinds 2013 een verblijfsrecht in Nederland op grond van de Chavez-zaak. Toen ze in 2020 een verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetene aanvroeg, werd deze geweigerd op de grond dat de Chavez-verblijfsvergunning een tijdelijke vergunning was. In Chavez, een bekende zaak van het Europese Hof van Justitie, is bepaald dat een ouder van een minderjarig kind een verblijfsvergunning kan krijgen in de EU. Het moet dan gaan om een ouder, die uit een niet-EU land komt (‘derdeland’) en een minderjarig kind heeft met de nationaliteit van een van de Europese Unielanden. Om te voorkomen dat het kind de Unie zou moeten verlaten omdat de ouder geen verblijfsrecht heeft, kan de ouder aanspraak maken een op afgeleid verblijfsrecht, oftewel de Chavez-vergunning. De vraag die het Hof nu beantwoordt is dan ook of Nederland de Chavez-verblijfsvergunning terecht aanmerkt als een tijdelijke verblijfsvergunning.

    Niet-tijdelijke doeleinden

    Het Hof concludeert dat deze Chavez-verblijfsvergunning niet moet worden aangemerkt als een verblijfsvergunning voor tijdelijke doeleinden. De zorg die een ouder draagt voor een minderjarig kind kan immers over een aanzienlijke periode uitstrekken, tenminste totdat het kind meerderjarig is. De Chavez-verblijfsvergunning is daarom niet van een puur tijdelijke aard en moet worden aangemerkt als een niet-tijdelijke verblijfsvergunning.

    Praktijk moet worden aangepast

    De IND had de toewijzing van de aanvraag voor de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene kortom niet mogen weigeren om de enige reden dat de aanvraagster een verblijfsrecht op grond van de Chavez-zaak had. De IND moet daarom de gangbare rechtspraktijk aanpassen; de Chavez-verblijfsvergunning is een niet-tijdelijke vergunning.

     

     

  3. Dublin: de overdrachtstermijn

    Reacties uitgeschakeld voor Dublin: de overdrachtstermijn

     

    De Dublinverordening

    De Dublinverordening bepaalt welk land binnen de EU verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag. De algemene regel is dat het land waar de asielzoeker voor het eerst is aangekomen of voor het eerst asiel heeft aangevraagd, verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Stel dat een asielzoeker de EU binnenkomt en eerst in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend, en vervolgens de grens oversteekt naar Nederland en hier opnieuw een asielaanvraag indient, dan is het uitgangspunt dat Nederland deze asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen. In de praktijk zal Nederland dan aan Duitsland vragen of zij instemmen met de overname van de asielzoeker en als Duitsland instemt, dan zal besloten worden dat de asielzoeker overgedragen wordt en zal een overdrachtsprocedure in gang gezet worden.

    In dezelfde Dublinverordening staat ook vermeld dat Nederland zes maanden de tijd heeft om een asielzoeker over te dragen, gerekend vanaf de datum dat de asielzoeker zijn asielaanvraag in Nederland heeft kenbaar gemaakt. In uitzonderingsgevallen, zoals bij detentie of onderduiken, kan deze periode tot twaalf respectievelijk achttien maanden worden verlengd. Wordt de asielzoeker niet binnen de geldende termijn overgedragen, dan is Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag.

    Een voorbeeld uit onze praktijk

    Onlangs hebben wij een cliënt bijgestaan, waarvan gezegd werd dat de asielaanvraag in Nederland niet in behandeling genomen kon worden, omdat hij eerder al in Duitsland een asielaanvraag had ingediend. Volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) was Duitsland dan ook verantwoordelijk voor de asielaanvraag van cliënt. Duitsland had de verantwoordelijkheid ook erkend. In principe behoorde de IND er dus voor zorg te dragen dat cliënt binnen de periode van zes maanden overgedragen zou worden aan Duitsland. Dat gebeurde niet. Namens cliënt heeft ons kantoor dan ook aangevoerd, dat een overdracht aan Duitsland niet meer mogelijk was, en Nederland verantwoordelijk geworden is voor de asielaanvraag. Volgens de IND was de overdrachtstermijn echter verlengd omdat cliënt gedetineerd zou zijn geweest en dus was Duitsland nog steeds verantwoordelijk.

    De rechtbank volgde het betoog van de IND niet en heeft het beroep gegrond verklaard. Uit het dossier bleek niet dat cliënt voor het aflopen van de periode van zes maanden in detentie had verbleven, zodat de overdrachtstermijn niet op die grond verlengd kon worden. Ook was niet gebleken dat cliënt op enig moment buiten beeld was geraakt en zou zijn ondergedoken. Daarom is de termijn van zes maanden niet verlengd en had de IND ervoor moeten zorgen dat cliënt binnen die termijn aan Duitsland was overgedragen. Aangezien cliënt zich na die zes maanden nog steeds in Nederland bevond, is de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van Duitsland overgegaan op Nederland en is Nederland aldus verantwoordelijk geworden om het asielverzoek van cliënt te gaan beoordelen.
    aanvraag nu bij Nederland.

    Heeft u een vergelijkbare vraag over de Dublinverordening of andere zaken rondom asiel- en migratierecht? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor via 043-3510577 of info@cr-advocaten.nl.

     

     

  4. Maatregelen van het kabinet: vertraging van gezinshereniging

    Reacties uitgeschakeld voor Maatregelen van het kabinet: vertraging van gezinshereniging

    Maatregelen van het kabinet: vertraging van gezinshereniging

     

    Op onze blog hebben wij al een paar keer stilgestaan bij gezinshereniging. De afgelopen tijd is dit onderwerp veel in het nieuws geweest.

    Het kabinet is onlangs met een plan gekomen om een rem op gezinshereniging te zetten met het doel om de instroom van asielzoekers te beperken. Zo komt een statushouder niet meer in aanmerking voor gezinshereniging als hij of zij geen huisvesting heeft. Als de statushouder na 15 maanden nog steeds geen woning heeft, mogen de gezinsleden wel naar Nederland komen. Daarnaast stelt het Kabinet voor dat de IND standaard 9 maanden over de aanvraag voor gezinshereniging mag doen in plaats van de normale termijn van 3 maanden. Voor asielzoekers betekent dit zij behoorlijk lang moeten wachten op een beslissing op hun aanvragen in het kader van gezinshereniging.

    De maatregel heeft de afgelopen tijd tot veel kritiek geleid. Zo heeft het College voor de Rechten van de Mens gesteld dat de kabinetsplannen in strijd zijn met de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn. Volgens de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn moet een aanvraag tot gezinshereniging snel worden afgehandeld gelet op het feit dat het vaak om minderjarige asielzoekers gaat die een beroep doen op gezinshereniging. Ook schrijft de Gezinsherenigingsrichtlijn specifiek voor dat wanneer een vluchteling een aanvraag in het kader van gezinshereniging indient, het hebben van huisvesting geen vereiste mag vormen voor het al dan niet toewijzen van de aanvraag. Het voorgestelde beleid gaat daarom op meerdere punten tegen Unierecht in. Het College heeft de overheid verzocht om de voornemens om gezinshereniging te vertragen direct in te trekken. Of de overheid de maatregelen zal aanpassen, valt nu a te wachten.

    Op ons kantoor behandelen wij regelmatig zaken die te maken hebben met gezinsherenigingsaanvragen. De vraag is of de plannen van het kabinet over de wijze waarop dit soort aanvragen in de toekomst behandeld gaan worden, juridisch steekhoudend is. Bij een afwijzend besluit raden wij aan juridisch advies in te winnen om na te gaan of het besluit stand kan houden.

    Heeft u een vraag over gezinshereniging of andere zaken rondom asiel- en migratierecht? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor via 043-3510577 of info@cr-advocaten.nl.

     

     

  5. De aankoop van een huis: de onderzoeksplicht

    Reacties uitgeschakeld voor De aankoop van een huis: de onderzoeksplicht

    De aankoop van een huis: de onderzoeksplicht

    Momenteel loopt er een zaak bij ons over een conflict tussen de kopers en de verkoper van een huis. De verkoper is een vastgoedbedrijf dat huizen inkoopt, renoveert en vervolgens doorverkoopt aan particulieren. Het bedrijf hanteert een exoneratiebeding, waarbij het al hun aansprakelijkheid voor eventuele gebreken aan de verkochte huizen uitsluit. De kopers in deze casus sluiten een koopovereenkomst met het bedrijf en laten geen bouwkundig rapport uitvoeren. Na de aankoop, komen er meerdere bouwkundige gebreken naar voren. Kort na de aankoop stellen de kopers de verkoper in gebreke via een e-mail en later ook per telefoon. De vraag is nu of de kopers nog een beroep kunnen doen op de non-conformiteit, onder andere omdat ze geen bouwkundig rapport hebben laten opstellen. Deze vraag heeft betrekking op enerzijds de onderzoeksplicht van de koper en anderzijds de mededelingsplicht van de verkoper.

    De onderzoeksplicht

    Bij een koopovereenkomst heeft de koper een onderzoeksplicht. In het geval van de aankoop van een huis, betekent dit dat de koper onderzoek moet hebben verricht naar zichtbare en kenbare gebreken aan het huis. Dit kunnen gebreken zijn, zoals schimmels of lekkages, die duidelijk zichtbaar zijn, maar ook gebreken die redelijkerwijs te verwachten zijn. Het is bijvoorbeeld te verwachten dat er bepaalde gebreken kunnen zitten aan een oud pand, dat al jaren niet is gerenoveerd. Aan de onderzoeksplicht zal over het algemeen zijn voldaan als de koper een bouwkundig rapport laat opstellen. Als de koper nalaat om het huis te onderzoeken, kunnen hier verstrekkende gevolgen aan zitten. Mochten er gebreken aan het licht komen na de koop en de koper heeft niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan, dan kan hij geen beroep meer doen op de non-conformiteit. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen schadevergoeding of reparatie kan worden geëist.

    Ingebrekestelling

    In het geval dat de koper een gebrek ontdekt, moet hij de verkoper daarvan binnen een redelijke tijd op de hoogte stellen, oftewel in gebreke stellen. De ingebrekestelling moet schriftelijk (of per email). Over het algemeen is het redelijk als een koper binnen korte tijd na de ontdekking van een gebrek, de verkoper hiervan in gebreke stelt. Hoeveel tijd precies redelijk is zal echter afhangen van de omstandigheden en de aard van het gebrek.

    De mededelingsplicht

    Naast de onderzoeksplicht op de koper, rust er een mededelingsplicht op de verkoper. Dit houdt kortgezegd in dat de verkoper geen informatie mag achterhouden of verzwijgen en alle voor hem bekende bouwkundige gebreken moet vermelden aan de koper. De koper mag uitgaan van de juistheid van de mededelingen. Als de verkoper bijvoorbeeld zegt dat er geen asbest in het huis is geconstateerd, mag de koper hiervan uitgaan en hoeft hiernaar geen verder onderzoek te doen. De informatieplicht sluit de onderzoeksplicht daarentegen niet uit. Van de koper wordt nog steeds verwacht dat hij tot op redelijke hoogte onderzoek verricht.

    Bij een geschil tussen de verkoper en koper van een huis, zal er kortom altijd een afweging moeten worden gemaakt tussen enerzijds de informatieplicht van de verkoper en aan de andere kant de onderzoeksplicht van de koper.

    In onze zaak heeft de rechter geoordeeld dat de verkopende partij zich niet heeft kunnen beroepen op het exoneratiebeding. De gebreken waren van dusdanige aard dat de verkopende partij hiervan had kunnen weten en bovendien hadden cliënten per e-mail reeds over enkele gebreken geklaagd die vervolgens niet serieus zijn onderzocht door de verkoper. Dat de verkoper zelf niet in de woning heeft gewoond doet daar niet aan af. De rechter heeft dan ook voor een groot gedeelte van de gebreken een schadevergoeding toegekend aan cliënten.

    Heeft u vragen omtrent een vergelijkbare situatie of andere zaken rondom civiel recht? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor via 043-3510577 of info@cr-advocaten.nl.

     

  6. Het huisverbod

    Reacties uitgeschakeld voor Het huisverbod

    Het huisverbod

    Het huisverbod wordt de laatste tijd steeds vaker toegepast. Ook in onze praktijk krijgen wij te maken met zaken omtrent het huisverbod. De Wet Tijdelijk Huisverbod geeft de burgemeester de bevoegdheid om een huisverbod op te leggen aan personen die een ernstig en onmiddellijk gevaar opleveren of dreigen op te leveren voor de medebewoners van het huis. Als het verbod is opgelegd, betekent dit dat de persoon voor een bepaalde periode de woning niet mag betreden en geen contact mag leggen met de overige bewoners van het huis. Deze periode wordt gezien als afkoelperiode en is verder bedoeld om hulpverlening in te schakelen en verdere geweldpleging of escalatie te voorkomen.

    De gevolgen van een huisverbod

    Een huisverbod heeft kortom een aantal gevolgen:

    – De persoon aan wie het huisverbod is opgelegd, moet de woning per direct verlaten.

    – De uithuisgeplaatste mag de woning, gedurende de duur van het huisverbod, niet betreden of aanwezig zijn bij de woning. Overtreding van deze regel levert een strafbaar feit op, waarbij voorlopige hechtenis kan worden toegepast.

    – De uithuisgeplaatste mag geen contact hebben met de bewoners van het huis, zoals bijvoorbeeld eventuele partner en kinderen. Overtreding van deze regel levert een strafbaar feit op, waarbij voorlopige hechtenis kan worden toegepast.

    – De burgemeester schakelt Bureau Jeugdzorg in, indien er ernstig vermoeden is van kindermishandeling.

    – Het huisverbod kan gepaard gaan met strafrechtelijke vervolging, indien de uithuisgeplaatste daadwerkelijk geweld heeft gepleegd. Bij slechts een dreiging zal in principe niet tot strafrechtelijke vervolging worden overgegaan.

    De duur van een huisverbod

    Volgens de Wet Tijdelijk Huisverbod, duurt het verbod in beginsel 10 dagen. Als de uithuisgeplaatste geen ernstige en onmiddellijk gevaar meer oplevert voor de bewoners van het huis, wordt het huisverbod opgeheven. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als hulpverlening is ingeschakeld en de uithuisgeplaatste deze hulp accepteert. Mocht er uit de omstandigheden en feiten van het geval blijken dat de dreiging niet afneemt na deze periode, mag het huisverbod worden met maximaal 4 weken worden verlengd.

    In beroep tegen een huisverbod

    Een huisverbod wordt uitgevaardigd in de vorm van een beschikking. Hiertegen kan beroep worden ingediend bij de rechtbank. De rechter zal beoordelen of de burgemeester terecht het huisverbod heeft opgelegd. Er zal dan sprake moeten zijn van een ernstig vermoeden om aan te nemen dat er onmiddellijk gevaar bestaat voor de veiligheid van de bewoners van het huis. Voor het opleggen van een huisverbod hoeft het bestaan van dit gevaar dus niet volledig vast te staan, maar moet voldoende aannemelijk zijn.

    Voorlopige voorziening

    Omdat door het indienen van beroep bij de rechtbank de gevolgen van een huisverbod in beginsel intact blijven, kan er ook een verzoek om een voorlopige voorziening worden gevraagd, waarbij de rechter verzocht wordt het huisverbod te schorsen. Doorgaans wordt er dan ook voor gekozen om naast het instellen van beroep ook een dergelijk verzoek in te dienen bij de rechtbank. Een verzoek om een voorlopige voorziening wordt binnen drie werkdagen op zitting behandeld. De rechter kan er dan voor kiezen om alleen over het verzoek te beslissen, maar hij kan er ook voor kiezen om gelijktijdig over het beroep te oordelen. Dat laatste gebeurt in de praktijk erg vaak, omdat het dan voor alle betrokkenen direct duidelijk is hoe de rechter over de rechtmatigheid van het huisverbod oordeelt en of het huisverbod aldus wel of niet in stand blijft.

    Heeft u vragen omtrent een vergelijkbare situatie of andere zaken rondom strafrecht en/of civiel recht? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor via 043-3510577 of info@cr-advocaten.nl.

  7. Een verduidelijking van de Bahaddar-beoordeling

    Reacties uitgeschakeld voor Een verduidelijking van de Bahaddar-beoordeling

    Een verduidelijking van de Bahaddar-beoordeling

    Uit artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens volgt dat een vreemdeling niet mag worden uitgezet naar een land waar hij het risico loopt op vervolging of een onmenselijke behandeling. In sommige gevallen is het daarom noodzakelijk dat de bestuursrechter nationale procedureregels, zoals termijnen, buiten beschouwing laat als deze in de weg staan aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. Deze regel komt voort uit de Bahaddar-zaak, een zaak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uit 1998. In een uitspraak van de Afdeling van afgelopen week (ECLI:NL:RVS:2022:1664) wordt de ‘Bahaddar-beoordeling’ toegepast en verduidelijkt.

    Uitspraak van de Afdeling

    De recente uitspraak gaat over een vreemdeling, waarvan de asielaanvraag was afgewezen. In zijn beroepsgronden voert hij aan dat hij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Irak vanwege zijn afvalligheid en atheïsme. Hij had deze beroepsgronden echter te laat ingediend. In principe wordt een beroep dan niet-ontvankelijk verklaard.

    De Afdeling begint met het uitgangspunt dat de nationale procedureregels moeten worden gevolgd, ook bij een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechter moet echter een procedureregel buiten toepassing laten als uit de feiten onmiskenbaar blijkt dat een vreemdeling bij uitzetting risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Afdeling voeg hieraan ten slotte dat de rechter ook de feiten moet betrekken in de Bahaddar-beoordeling, die de vreemdeling niet heeft aangedragen, maar waarvan het overduidelijk is welke feiten dit hadden moeten zijn.

    De Afdeling verduidelijkt tenslotte waar de rechter op moet letten bij de Bahaddar-beoordeling. De rechter moet de algemeen bekende informatie over het land van herkomst van de vreemdeling betrekken en alles wat de vreemdeling heeft aangevoerd met betrekking tot de vraag of er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in het land van herkomst. De rechter zal een procedureregel buiten toepassing  laten als onmiskenbaar blijkt dat een vreemdeling bij uitzetting risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

    Relevantie

    Met dit oordeel geeft de Afdeling een verduidelijking aan de Bahaddar-beoordeling en laat zien dat de zaak nog steeds relevant is. Ook voor onze praktijk is dit oordeel relevant. In het geval van cliënten die een beroep doen op artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, kan het dus zo zijn dat nationale procedureregels, zoals termijnen en eisen aan de inhoud van een beroepschrift, buiten toepassing moeten worden gelaten. Het komt er kortom op neer dat procedureregels er nooit toe mogen leiden dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verblijf in Nederland en het risico loopt te worden uitgezet naar zijn land van herkomst, terwijl duidelijk is dat hij aldaar een ernstig risico loopt om te worden vervolgd of onmenselijk te worden behandeld.

     

     

     

     

  8. Oekraïense vluchtelingen: recht op verblijf?

    Reacties uitgeschakeld voor Oekraïense vluchtelingen: recht op verblijf?

    Oekraïense vluchtelingen: recht op verblijf in Nederland?

    Volgens de Verenigde Naties zijn er afgelopen twee weken ruim 1,5 miljoen mensen uit Oekraïne gevlucht. In veel Europese landen neemt het aantal vluchtelingen uit Oekraïne behoorlijk toe. Ook in Nederland zijn voorbereidingen getroffen om vluchtelingen te ontvangen. Zo zijn er opvangcentra opgezet en hebben veel Nederlanders zich al aangemeld als gastgezin. Dit roept de vraag op hoe het, juridisch gezien, precies zit met het verblijfsrecht van Oekraïners in Nederland. Hoelang kunnen gevluchte Oekraïners bijvoorbeeld in Nederland blijven? Hebben deze mensen recht op opvang? En hoe zit het met het recht op zorg, werk en een uitkering?

    Recht op verblijf

    Oekraïners hebben standaard recht op 90 dagen verblijf binnen de landen van de Europese Unie. Dit volgt uit het Associatieverdrag dat gesloten is tussen de Europese Unie en Oekraïne. Ook in de huidige oorlogssituatie kunnen de vluchtelingen dus naar Nederland komen en hier drie maanden vrij verblijven. Daarvoor hoeven zij geen asielaanvraag in te dienen of over een visum of verblijfsvergunning te beschikken. Voor afloop van de termijn van drie maanden zou een burger van Oekraïne echter wel naar zijn land moeten terugkeren als hij besluit om geen asiel aan te vragen of verder niet beschikt over een verblijfsvergunning om hier langer te mogen verblijven. Om die reden ligt het voor de hand dat Oekraïeners binnen de termijn van 90 dagen alsnog een asielaanvraag zullen indienen. De situatie in Oekraïne verandert iedere dag en het is onduidelijk hoe deze situatie zich verder zal ontwikkelen en welke gevolgen dit zal hebben voor de algemene veiligheidssituatie in het land. Daarom heeft Nederland een besluit- vertrekmoratorium afgekondigd. Dit betekent dat er voorlopig niet inhoudelijk op asielaanvragen van Oekraïners wordt beslist, maar dat zij voorlopig ook niet zullen worden teruggestuurd naar Oekraïne.

    Vanuit de Europese Unie is er op dit moment ook wetgeving in gang gezet om Oekraïense vluchtelingen tegemoet te komen. De Europese Unie heeft namelijk de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn geactiveerd, waardoor mensen die vluchten voor het conflict in Oekraïne, bescherming kunnen krijgen binnen de EU. Deze Tijdelijke Beschermingsrichtlijn zorgt voor een versimpelde en versnelde procedure voor Oekraïners om een verblijfsvergunning binnen de EU te kunnen krijgen. De verblijfsvergunning heeft in beginsel een tijdelijke geldigheidsduur van een jaar. Oekraïense vluchtelingen hoeven zich voorlopig dan ook geen zorgen te maken over het recht op verblijf.

    Recht op zorg, opvang en een uitkering

    Momenteel kunnen Oekraïense vluchtelingen in Nederland terecht bij familie of vrienden, gastgezinnen en opvangcentra. Volgens de tijdelijke EU-richtlijn hebben de Oekraïense vluchtelingen, naast opvang, ook recht op toegang tot onderwijs, de arbeidsmarkt, gezondheidszorg, huisvesting en een sociale bijstand zolang ze niet terug kunnen keren naar het thuisland.

     

     

  9. Atheïsme is ook een geloofsovertuiging

    Reacties uitgeschakeld voor Atheïsme is ook een geloofsovertuiging

    Atheïsme is ook een geloofsovertuiging

    De uitspraken van de Raad van State: ECLI:NL:RVS:2022:93 en ECLI:NL:RVS:2022:94

    Afgelopen maand heeft de Raad van State beslist dat zowel atheïsme als afvalligheid m

    oeten worden aangemerkt als een geloofsovertuiging (ECLI:NL:RVS:2022:93 en  ECLI:NL:RVS:2022:94). Daarmee staat nu vast dat de atheïstische of afvallige vreemdeling kan worden beschermd onder het Vluchtelingenverdrag.

    Een vreemdeling heeft ingevolge artikel 1(A)(2) van het Vluchtelingenverdrag recht op bescherming als hij vanwege zijn geloofsovertuiging gegronde vrees heeft voor vervolging in zijn land van herkomst. Een voorbeeld hierbij is een christelijke vreemdeling die vanwege dit geloof zeer waarschijnlijk vervolgd zal worden, omdat de overheid in het land van herkomst deze religie niet accepteert. In de bovengenoemde twee uitspraken van de Afdeling is duidelijk geworden dat ook atheïsme en afvalligheid moeten worden aangemerkt als geloofsovertuigingen en daarom recht hebben op bescherming onder het Vluchtelingenverdrag. Deze uitspraak wijkt af van de Werkinstructie 2018/19 en de Werkinstructie 2018/19, waarin nog is vastgelegd dat atheïsme en afvalligheid geen geloofsovertuigingen zijn.

    Verder oordeelt de Afdeling in de uitspraken dat de staatssecretaris niet beschikt over een duidelijke werkwijze voor het onderzoeken van de geloofwaardigheid van de afvalligheid en het atheïsme. Volgens de Afdeling moet de werkwijze aangescherpt worden. Zo moet er een verschillend beoordelingskader worden gehanteerd voor atheïsme enerzijds en afvalligheid anderzijds. Daarnaast moet de staatsecretaris, op het moment dat de geloofwaardigheid is komen vast te staan, verder onderzoek doen naar het risico wat de vreemdeling loopt bij terugkeer naar het land van herkomst.

    In de praktijk zullen deze uitspraken betekenen dat de staatssecretaris een verbeterde en aangescherpte werkwijze zal hanteren om de geloofwaardigheid van atheïsme en afvalligheid te beoordelen. Het is hierbij aan de staatssecretaris om deze werkwijze vast te stellen. Heeft u een zaak of vragen omtrent rondom asiel- en migratierecht? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor via 043-3510577 of info@cr-advocaten.nl.