Crompvoets + Raafs Advocaten

Gehuwd of gescheiden: de hoogte van de bijstandsuitkering

Gehuwd of gescheiden: de hoogte van de bijstandsuitkering

Voor de vaststelling van de hoogte van een bijstandsuitkering is het relevant of de aanvrager gehuwd of alleenstaand is. Als de aanvrager alleen woont en ongehuwd is, geldt de alleenstaandenorm. Hierbij wordt 70% van het netto minimumloon uitgekeerd. In het geval dat de gehuwde partners samenwonen en één van de partners recht heeft op een bijstandsuitkering, worden de inkomsten van de huwelijkspartner voor zover deze meer bedragen dan 50% van de gehuwdennorm in mindering gebracht op de bijstand van de aanvrager.

Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt in het geval dat de partners wel gehuwd zijn, maar duurzaam gescheiden van elkaar leven. In een recente zaak bij de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep stond de vraag centraal of cliënte, bijgestaan door Mr. van Mulken, duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot en welke norm er nu door de gemeente toegepast dient te worden bij de berekening van de hoogte van de bijstandsuitkering.

Cliënte woont in Nederland en is vanwege haar religieuze overtuigingen gehuwd met haar echtgenoot die in Duitsland woont en de Afghaanse nationaliteit heeft. Zij hebben van begin af aan nooit daadwerkelijk samengewoond en hebben beiden een eigen huishouden gevoerd.

Volgens de gemeente is er geen sprake van duurzaam gescheiden leven en dient daarom van 50% van de gehuwdennorm te worden uitgegaan. Daarnaast dient er volgens de gemeente rekening te worden gehouden met het inkomen van haar echtgenoot. De gemeente heeft het inkomen van de echtgenoot in mindering gebracht op de uitkering van cliënte voor zover dit inkomen meer bedroeg dan 50% van de gehuwdennorm. Ook heeft de gemeente bijna 5000 Euro van cliënte teruggevorderd.

De rechtbank is het met de gemeente eens en verklaard het beroep van cliënte tegen het besluit van de gemeente ongegrond. Cliënt is het hier echter niet mee eens en gaat tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep, waarbij ze zich op de volgende standpunten stelt.

Ten eerste betoogt ze dat ze sinds de huwelijksdatum nooit met haar echtgenoot heeft samengewoond. Ook is er geen vooruitzicht dat de echtgenoten nog gaan samenwonen in de toekomst. De echtgenoot woont namelijk in Duitsland. Cliënte woont in Nederland, heeft hier (volwassen) kinderen en is hier gehecht. Ze heeft daarom geen plannen om naar Duitsland te verhuizen en zolang de echtgenoot niet de Duitse nationaliteit heeft kan hij zich ook niet vestigen bij haar in Nederland.

De Centrale Raad van Beroep is het niet eens met dit standpunt van cliënte en overweegt dat partners alleen als duurzaam gescheiden worden aangemerkt als beide of één van hen het huwelijk wil verbreken. Daar was hier geen sprake van. Cliënte en haar echtgenoot leven volgens de Centrale Raad van Beroep niet duurzaam gescheiden.

Toch is met dit oordeel niet de zaak afgerond. Als tweede voert de cliënte aan dat zij en haar echtgenoot beide gescheiden huishoudens voeren en elkaar niet financieel ondersteunen en dat de gemeente een onjuiste norm heeft toegepast bij de berekening van de hoogte van haar uitkering. Deze grond slaagt wel. In artikel 32, vierde lid, van de PW is bepaald dat er bij gehuwde partners, die niet duurzaam gescheiden leven, maar wel (tijdelijk) gescheiden van elkaar leven, alleen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner voor zover deze inkomsten de bijstandsnorm te boven gaan. De vraag is nu wat precies onder deze bepaling wordt verstaan? Het college concludeert dat dit zo moet worden begrepen dat in het geval van gehuwde partners, die gescheiden huishoudens voeren, de alleenstaande norm moet worden toegepast bij de berekening van de hoogte van de bijstandsuitkering. Uit de Memorie van Toelichting bij deze wet volgt immers dat het inkomen van de partner slechts in beschouwing mag worden genomen voor zover deze de kosten van de door hem zelfstandig gevoerde huishouding te boven gaat. Gelet hierop moet artikel 32, vierde lid, van de PW zo worden begrepen dat met de bijstandsnorm de alleenstaandennorm is bedoeld. De gemeente heeft dus wel met het inkomen van de echtgenoot rekening mogen houden, maar met toepassing van de alleenstaande norm en niet 50% van de gehuwdennorm.

Het hoger beroep van cliënte is dan ook gegrond. Bij de vaststelling van de hoogte van haar bijstandsuitkering dient rekening te worden gehouden met het inkomen van de echtgenoot voor zover dit de alleenstaandennorm te boven komt, wat zal betekenen dat haar uitkering hoger zal uitpakken dan de gemeente eerder heeft overwogen.

In deze uitspraak legt de Centrale Raad van Beroep dan ook voor het eerst uit hoe artikel 32, vierde lid, van de PW moet worden uitgelegd en toegepast in de praktijk. Benieuwd naar de hele uitspraak? Bekijk hem op: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2022:946.